Archive for Opvoeden – Page 2

Mijn kind is bang en ik word boos. Waarom?

Herken je dit? Je kind is bang, bang voor de hond van de buren, bang voor grote groepen, bang om ziek te worden. En hoewel je haar angst echt wel begrijpt en misschien zelfs herkent in jezelf, word je uiteindelijk toch boos. Hoe kan dat? Waarom kun je niet gewoon in het begrip blijven?

Bang zijn is een heel vervelend gevoel. Niemand zegt: ‘Jippie, ik ben bang, dus leuk laat maar komen.’ Kinderen zeker niet. Kinderen worden overweldigd door hun angst en willen daar het liefst zo snel mogelijk van af.

De makkelijkste manier om ervan af te komen, is om datgene wat ze bang maakt uit de weg te gaan. Met andere woorden je kind wil in de vermijding, want het heeft nog niet geleerd om anders met de angst om te gaan. Om de angst er gewoon te laten zijn en rustig af te wachten tot deze weer langzaam wegtrekt als je het maar de tijd geeft. Misschien is dat ook wel iets wat je zelf (nog) niet kunt.

Zo lang als je kind alleen zelf in de vermijding gaat, zul jij nog niet boos worden. De boosheid ontstaat meestal pas op het moment, dat je kind gaat afdwingen, dat jij meegaat in de vermijding. Dat jij dingen moet gaan doen, waardoor datgene waar ze bang voor is verdwijnt. Dat je het gevoel krijgt, dat je geen andere kant op kunt dan haar haar zin te geven. Dat komt omdat dit een onbewuste vorm van manipulatie is en dat is iets waar jij flink op kunt gaan stuiteren. Let er maar eens op de volgende keer, dat je in de boosheid schiet als je kind bang is.

Hoe kun jij je kind helpen zonder boos te worden?

Als je door hebt, dat je eigenlijk boos wordt vanwege het feit dat je je gedwongen voelt, is het veel makkelijker om rustig te blijven. Wat je vervolgens kunt doen is haar enerzijds erkennen in haar angst. Zeg nooit dat het aanstelleritis is, deze angst is wezenlijk voor je kind. Ze is bang en dat mag. Alleen laat je aan de andere kant ook heel duidelijk merken, dat je niet in haar angst mee wil gaan en al helemaal niet met haar mee wil gaan in de vermijding. Vertel haar maar dat je de handelingen die zij afdwingt om haar angst te verminderen niet zal uitvoeren. Door het telkens weer te benoemen maak je voor haar ook duidelijk wat ze aan het doen is.

Tenslotte ga je samen kijken wat zij zelf kan doen om de angst te verkleinen. Overigens is het natuurlijk helemaal prima als ze daarbij jouw fysieke nabijheid en mentale steun nodig heeft. Dan kun je de ondersteunende ouder zijn, die je graag wilt zijn.

Succes!

PS Als je meer opvoedtips kunt gebruiken, kijk dan eens naar de ouderschapscursus ‘Afgestemd opvoeden – wat heeft mijn kind nodig?’. Ik neem je in deze cursus mee langs 5 onderwerpen, die in de opvoeding van elk kind van belang zijn.


Meer weten? Bekijk de info:
Ouderschapscursus ‘Afgestemd opvoeden – wat heeft mijn kind nodig?’

Hoe kan ik mijn kind het beste corrigeren?

Heb jij ook wel eens het gevoel, dat je kind niet luistert als je hem corrigeert? Dat kan echt zo frustrerend zijn! Maar wat zeg je dan? Zeg je dan ‘Niet rennen in huis!’ of zeg je ‘Lopen in huis alsjeblieft’. Van nature zijn we namelijk heel erg geneigd om te benoemen wat we niet willen in plaats van te zeggen wat we wel willen.

Wat is echter het geval? Op de een of andere manier komt het woordje ‘niet’ niet echt binnen. Je kent vast wel het bekende voorbeeld ‘Denk niet aan een roze olifant!’ en het eerste wat je ziet in je hoofd is die roze olifant. Zo gaat het ook met ‘Niet rennen!’ Ons systeem pikt op de een of andere manier alleen het woordje ‘rennen’ op. Als je dus wilt, dat je kind iets niet doet, zeg dan niet wat hij moet laten, maar benoem direct het gewenste, positieve gedrag.

Wat bovendien extra goed werkt, is als je het in de vorm van een verzoek brengt door er ‘alsjeblieft’ aan toe te voegen. Kinderen willen heel graag iets goed doen voor jou, daarom zullen ze veel sneller reageren op een verzoek dan op een verbod. Daarnaast komt het veel respectvoller naar je kind over en geef je meteen een goed voorbeeld in respectvol blijven. Stel je maar eens voor welke manier jijzelf prettiger zou vinden.

Wat betekent dit in de praktijk? Enkele voorbeelden:

  • ‘Praat alsjeblieft zachtjes’ in plaats van ‘Niet schreeuwen!’
  • ‘Handen thuis alsjeblieft’ in plaats van ‘Niet slaan!’
  • ‘Zet je tas alsjeblieft zachtjes neer’ in plaats van ‘Niet gooien met je tas!’
  • ‘Speel alsjeblieft alleen buiten met je bal’ in plaats van ‘Niet met de bal in huis spelen!’
  • ‘Sluit de deur alsjeblieft rustig en zonder geluid’ in plaats van ‘Niet knallen met die deur!’
  • ‘Wacht alsjeblieft even tot ik klaar ben met praten’ in plaats van ‘Onderbreek me niet!’

Dit vraagt van jou met name om een vertaling te maken van wat je niet wilt naar wat je wel wilt. En misschien af en toe even een stap op de plaats te maken, voordat je weer een verbod de wereld in slingert. In het begin zal dit niet altijd even soepeltjes gaan. Echter ook hierbij geldt: ‘Oefening baart kunst’ 🙂 Hoe vaker je deze manier toepast, hoe makkelijker het gaat en hoe meer het een automatisme wordt.

Ik wens je veel succes met de vertaling!

PS Als je meer opvoedtips kunt gebruiken, kijk dan eens naar de ouderschapscursus ‘Afgestemd opvoeden – wat heeft mijn kind nodig?’. Ik neem je in deze cursus mee langs 5 onderwerpen, die in de opvoeding van elk kind van belang zijn.

Meer weten? Bekijk de info:
Ouderschapscursus ‘Afgestemd opvoeden – wat heeft mijn kind nodig?’

Te veel gamen – bij wie ligt de verantwoordelijkheid?

Naast mijn werk in De Kindereik ben ik ook nog werkzaam als leerkracht in het basisonderwijs. Deze week kwam bijgevoegde link voorbij in onze groepsapp.

Nu vind ik zo’n boek niet verkeerd, het is zeker goed dat kinderen leren over hoe het nu allemaal werkt in het brein, maar ik vraag me hierbij wel af bij wie de verantwoordelijkheid ligt. Is dat bij het kind? Dat na het lezen van dit boek dan maar zou moeten beslissen om minder te gaan gamen?

Of ligt deze verantwoordelijkheid bij de ouders? Ik schrik echt als ik lees, dat een ouder van een kind uit groep 8 er blij mee is, maar niet weet of het lezen van het boek ook daadwerkelijk het gamegebruik van zijn kind zal veranderen.

Kinderen kunnen deze keuze helemaal nog niet zelf maken. Juist door wat het met hun hersenen doet.

Daarom bij deze mijn verzoek:
Lieve ouders, pak alsjeblieft je verantwoordelijkheid en leg zelf het gamegedrag van je kind aan banden. Dan is zo’n boek uiteindelijk niet meer nodig 😉

https://eenvandaag.avrotros.nl/binnenland/item/erik-scherder-wil-kinderen-helpen-en-dat-doet-hij-met-een-spannend-boek/

De kracht van positieve woorden

Twee dagen per week ben ik nog juf. Mijn groep 5 leerlingen zijn leergierig en doen meestal goed mee met de les. Alleen hebben ze daarbij vaker de gewoonte om door de klas te roepen.

Na een opfrisbijeenkomst met het team over gedrag, waarin aangegeven werd dat de verhoudingen correctie:complimenten 1 op 4 moet zijn om gedrag te kunnen veranderen, heb ik dit afgelopen week maar eens bewust ingezet.

Als een kind door de klas riep, corrigeerde ik dat en zo gauw als hij het daarna goed deed, gaf ik een compliment. Maar ook de andere kinderen, die het wel uit zichzelf al goed deden, gaf ik telkens opnieuw een compliment, voordat ik ze de beurt gaf.

De hele klas zakte hierdoor in de rust. Zelfs de kinderen hadden in de gaten, dat er iets veranderde en hoe fijn dat was.

Maar het mooie was, dat het nog een bijkomend effect had: ik kreeg er namelijk zelf echt goede zin van. Gewoon omdat ik elke keer opnieuw weer woorden zei als ‘Goed zo!’,’Fijn’ of ‘Dank je wel’. En die enkele keer, dat iemand zich dan toch nog vergist en daar even op gewezen moet worden, verdween gevoelsmatig in alle positieve feedback.

Volgende week doe ik het weer zo 🙂 Jij ook?

Een boos kind, wat nu?

hethelekindhethelebrein Is jouw kind regelmatig boos?
Heb je geen idee waarom dit gebeurt?
En weet je al helemaal niet wat je er aan moet doen?

Lees dan eens het boek ‘Het hele kind het hele brein’ van Daniel Siegel en Tina Payne Bryson. Ik vind het een echte aanrader voor ouders, die worstelen met de boze buien van hun kinderen.

De schrijvers leggen in eenvoudige, heldere taal uit, dat je kind het je niet met opzet lastig maakt. Het heeft gewoon te maken met een brein, dat nog niet volledig ontwikkeld is. Het `bovenbrein’, het gedeelte dat beslissingen neemt en tegenwicht biedt aan allesoverspoelende emoties, is namelijk tot midden twintig nog in ontwikkeling. En vooral bij jonge kinderen heeft de emotionele rechterhersenhelft vaak de overhand op de meer rationele linkerhersenhelft.

In ‘Het hele kind het hele brein’ kun je lezen hoe het kinderbrein zich ontwikkelt en welke strategie je bij welke leeftijd kunt gebruiken om je kind beter te leren omgaan met zijn gevoelens.

Heb jij het boek gelezen? Heeft het jou geholpen in de omgang met je kind? Ik hoor graag wat jij ervan vindt!

Kind centraal bij scheiding

kindcentraalbijscheiding-kleinGa je scheiden of ben je gescheiden?
Ben je je ervan bewust wat dit teweeg brengt in je kind?

Samen met Joni Luit van Spiegelkracht biedt de Kindereik een waardevol programma, waarin wij kinderen helpen voelen, verbinden, verwerken, accepteren en (opnieuw) hechten. Vanuit veiligheid en vertrouwen, in de vorm van beweging, interactie, meditatie, mindfulness en creatieve werkvormen.

Kijk op kindcentraalbijscheiding.nl

Mag jouw kind voelen?

Laatst rende ik de supermarkt in om nog even snel wat boodschappen te doen, toen een kindje hard begon te huilen, omdat er geen klein winkelwagentje meer was. Moeder en oma leidden het kind meteen af met de belofte van een snoepje als ze klaar waren met winkelen. Het werkte en het kind stopte met huilen.

Steeds weer valt me op hoe weinig ruimte er vaak is voor gevoelens. We zijn zo gewend om deze zo snel mogelijk weg te stoppen, dat we niet meer weten wat we voelen en waar we dat voelen. We leren onze kinderen al heel jong, dat vooral de zogenaamde vervelende gevoelens er niet mogen zijn: als je huilt, moet je daar zo snel mogelijk mee stoppen, zou een snoepje helpen? Als je iets als moeilijk ervaart, lost papa of mama het wel voor je op, alles om er maar voor te zorgen, dat je rotte gevoel zo snel mogelijk weg is.

Maar ook boosheid (niet netjes) en vrolijkheid (overdreven) worden vaak niet geaccepteerd. Terwijl het veel beter zou zijn om dit gevoel te erkennen en te benoemen, zodat het kind er de juiste woorden voor leert. Voel ik nu boosheid, frustratie of verdriet?

Bovendien worden alle gevoelens die niet ten volle gevoeld worden ergens in het lijf opgeslagen. Ooit zullen al deze weggestopte gevoelens hun tol gaan eisen en zorgen voor allerlei lichamelijke klachten.

Daarom is het goed om gevoelens weer echt te gaan ervaren. Ook die emoties waar je liever voor wegvlucht. Niet alleen om te weten om welke emotie het gaat, maar ook om te ervaren waar je dit in je lijf voelt. Waar voel je angst, frustratie of woede? Hoe sterk voel je dit? Heeft het een bepaalde kleur, vorm of smaak? Houdt het dezelfde intensiteit?

Als het goed is, ontdek je dat, als je ze gewoon laat zijn, die fysieke gewaarwordingen voortdurend veranderen. Je hoeft er dus niet bang voor te zijn, dat je je altijd zo zult voelen. Laat het toe, bekijk het en laat het weer los!

Ik nodig je van harte uit om je kind zijn gevoelens te gunnen en ze ook te erkennen, zodat hij dit nu al kan ervaren en leren.

Dus geen snoepje aanbieden, maar benoemen dat je weet dat je kind verdrietig is, omdat hij nu even niet met het winkelwagentje door de supermarkt kan lopen en dat je begrijpt, dat dit niet leuk is. Geef er nog een liefdevolle aai over de bol bij of een troostende knuffel en wacht rustig af tot je kind uitgehuild is.

Je kunt je kind geen groter plezier doen!

Pas op straks doe je je pijn!

Twee peuters, een jongen en een meisje van 3 zitten op de wip en hebben ongelooflijk veel lol samen. Ze wippen steeds harder en lachen en gillen wat af. Opeens bedenkt het jongetje iets extra leuks: elke keer als hij beneden is, doet hij of het fout gaat en laat hij zich voorzichtig en gecontroleerd naast de wip vallen. En ik merk dat ik eigenlijk wil reageren met ‘niet doen, straks doe je je pijn’.

Maar is dit een instinctieve reactie omdat er daadwerkelijk gevaar dreigt voor dit kind of is deze aangeleerd? Heeft het kind niet zelf heel goed in de gaten of het dit aan kan? Is het niet juist een mooi lesje in lichaamscontrole en leren vallen?

Bovendien staat de wip op dat moment op een zachte ondergrond. Of moet ik me dan toch zorgen maken, dat het kind dit ook gaat doen als de wip op een harde ondergrond staat?

Daarnaast heeft het meisje hier geen last van. Ze schiet niet omlaag als de ballast aan de andere kant verdwijnt. Daar heeft de fabrikant blijkbaar al goed over nagedacht. Of moet ik er nu al rekening mee houden dat dit op een andere wip misschien anders is?

Moet ik nu al bezig zijn met die eventuele toekomst? Of mag ik erop vertrouwen, dat het kind straks heus wel begrijpt, dat het op sommige plekken wel kan en op andere niet.

Wat is eigenlijk het ergste dat kan gebeuren? Een buil, een schaafwond, tranen van de schrik? En hoe erg is dat dan? Of is het juist een mooi lesje in grenzen verkennen en zelf leren wat wel en niet kan?

Wat zou jij doen als je dit kind zag spelen?

Mag het kind ook zelf?

Het is een rustige, zonnige dag op het kinderdagverblijf waar ik vervang. We maken gebruik van het lekkere weer en gaan gezellig met de kleintjes naar buiten. Op de speelplek staat een laag klim- en klauterrek en kleine Emma van anderhalf probeert op één van de plateautjes te klimmen.

Ze legt haar bovenlijf op het plateau en kan zo met haar handjes net de zijkanten vastpakken. Vol overgave zwaait ze met haar benen en trekt ze met haar armen, maar het lukt haar niet om erop te komen.

Ze geeft de moed echter niet op en blijft enthousiast proberen. Ik geniet van haar pogingen; haar hele lijf is in beweging en gericht op de door haar zelf opgelegde taak. Ik blijf dus rustig zitten en laat haar lekker spartelen.

Opeens komt de ernaast gelegen peuterspeelzaal ook naar buiten met de kids. Een hele groep peutertjes met behoorlijk wat begeleidende volwassenen. Eén van de begeleidsters ziet Emma’s pogingen en geeft haar met een verwijtende blik naar mij een flinke zet, zodat ze alsnog op het plateautje belandt.

Ik weet dat deze dame dit met de beste bedoelingen heeft gedaan. Maar wie helpt dit kind nu meer? Degene die zorgt dat ze zonder omwegen haar doel bereikt of degene die haar de ruimte en tijd biedt om zichzelf iets eigen te maken? Is het doel het belangrijkste of gaat het juist om de weg er naar toe?

Voor mij is dat doel namelijk niet zo interessant. De weg er naar toe is vele malen belangrijker. Want kinderen die die bij elke stap geholpen worden, leren alleen maar dat ze anderen nodig hebben om iets te bereiken. Maar kinderen die dingen op eigen kracht weten te bereiken, hebben daadwerkelijke succeservaringen en bouwen op die manier aan hun zelfvertrouwen.

Dus hoe klein ze ook zijn, laat ze zelf uitzoeken hoe iets moet. Een mooier cadeau kun je ze niet geven.

Ik ga de volgende keer in elk geval weer lekker achterover zitten en genieten van zo’n zelflerend kind.

Is jouw vraag eigenlijk een opdracht?

Afgelopen schooljaar heb ik een aantal maanden in groep 1 vervangen. Sporadisch kwam ik daarbij in contact met kinderen uit de bovenbouw. Zo ook tijdens de laatste schoolweek. Even was ik toen juf van groep 8. Ze hadden heerlijk buiten gespeeld en bij het naar binnen gaan, vroeg ik één van de jongens: ‘Zou jij even die spullen op kunnen ruimen?’ Ik merkte direct, dat hij er eigenlijk absoluut geen zin in had en dus maar deed alsof hij mijn vraag niet gehoord had. Ik riep hem bij mij en herhaalde de vraag. Met als extra opmerking: ‘Dit is mijn vraag aan jou en omdat het een vraag is, mag je daar ja of nee op antwoorden. Ik vind het alleen niet fijn als je me negeert.’

De jongen keek me aan alsof ik gek geworden was. Mocht hij nu echt gewoon ‘nee’ zeggen op mijn vraag? Hij vertrouwde het nog niet helemaal, maar wilde toch weten hoe ik zou reageren als hij daadwerkelijk nee zou zeggen. Dus kreeg ik als antwoord ‘nee’. ‘Oke’ zei ik, ‘dat is prima, dan weet ik dat en vraag ik wel iemand anders.’ Perplex maar blij dat hij het echt niet hoefde te doen, liep de jongen vervolgens naar binnen.

Het volgende kind dat ik die vraag stelde, ging zonder morren aan de slag. Ik weet echter niet wie van deze 2 kinderen dichter bij zichzelf is gebleven. Het kind dat nee zei of het kind dat het gewoon deed. Vond dit andere kind het inderdaad geen probleem of was hij zo gewend om te doen wat een ander vraagt, dat het zonder nadenken gebeurde?

Stel jij ook vaker een opdracht in de vorm van een vraag? En calculeer je dan in dat het antwoord ‘nee’ kan zijn? Of word je boos, omdat het kind niet doet wat je van hem vraagt? En hoe eerlijk is dat?